Medische Encyclopedie – Apotheek Marne – Amstelveen

Apotheek Marne

Marne 130 1186PJ Amstelveen Tel:020 220 99 00 Fax:020 220 99 09

Medische Encyclopedie

Inhoud

nilotinib

Nilotinib is een tyrosinekinaseremmer. Dit is een doelgerichte kankerremmende stof ('targeted therapy').

Artsen schrijven nilotinib voor bij bepaalde vormen van leukemie (een vorm van kanker).

Wat doet nilotinib en waarbij gebruik ik het?

Kanker

Kanker is een verzamelnaam voor meer dan honderd verschillende aandoeningen, waarbij lichaamscellen zich ongeremd vermenigvuldigen. Het gevolg is tumoren (gezwellen) of afwijkingen in bloed en lymfebanen. Het is een ernstige ziekte die slecht kan aflopen als men er niets aan doet.

Dankzij nieuw onderzoek is tegenwoordig goede behandeling voor veel soorten kanker mogelijk. Artsen schrijven nilotinib voor bij chronische myeloïde leukemie (CML). Dit is een kanker in het beenmerg, waarbij cellen in het beenmerg te veel witte bloedcellen maken.

Oorzaak
In elke cel zit DNA. DNA bevat de erfelijke eigenschappen van ons lichaam, zoals de bloedgroep en de kleur van de ogen. Door het DNA weten cellen wat ze moeten doen. Bijvoorbeeld ook hoe snel ze zich moeten delen. Bij een celdeling ontstaan uit één cel 2 dochtercellen, met exact hetzelfde DNA als de moedercel. Als het stukje DNA dat de celdeling bestuurt beschadigd raakt, kan de cel zich sneller gaan delen. De nieuwe cellen bevatten dezelfde beschadiging in het DNA als de moedercel. Daardoor gaan ook deze cellen zich veel te snel delen, met kanker tot gevolg.

Bij chronische myeloïde leukemie ligt de oorzaak in een beschadiging van stamcellen in het beenmerg. In het beenmerg bevinden zich meerdere soorten stamcellen. Hier gaat het om de stamcellen die een bepaald type witte bloedcellen maken.
Onderzoek heeft aangetoond dat in deze stamcellen vaak het DNA van de chromosomen 9 en 22 is beschadigd, waardoor ze aan elkaar vast gaan zitten. Dit koppel chromosomen wordt het Philadelphia-chromosoom genoemd. Dit Philadelphia-chromosoom veroorzaakt de aanmaak van veel te veel niet goed werkende witte bloedcellen. Hoe de beschadiging in het DNA ontstaat, is vaak onbekend. Het lijkt soms te komen door chemische stoffen als teer in tabaksrook, of door asbest, alcohol, te veel of te vet voedsel, straling of door een erfelijke aanleg.

Verschijnselen
Kanker is een verraderlijke ziekte. Elke kankersoort veroorzaakt weer andere klachten. In het beginstadium zijn er vaak helemaal geen verschijnselen.
Sommige klachten komen bij vrijwel alle kankersoorten voor, zoals erge vermoeidheid, gebrek aan eetlust en sterke vermagering (bijvoorbeeld meer dan 3 kilo per maand).

Bij chronische myeloïde leukemie (CML) is in eerste instantie alleen de milt vergroot. Na verloop van jaren kunnen er ook klachten van extreme moeheid, bloedingen en pijn boven in de buik ontstaan.

Behandeling
De behandeling hangt af van het soort kanker en hoe ver de ziekte is gevorderd.
Bij chronische myeloïde leukemie wordt meestal de tyrosinekinaseremmer imatinib gegeven. Nilotinib wordt gebruikt als imatinib niet meer voldoende werkt of niet kan worden gebruikt.

Werking
Tyrosinekinase is een type enzym dat alle cellen, dus ook kankercellen, nodig hebben voor hun groei. Cellen met het Philadelphia-chromosoom maken een speciaal soort tyrosinekinase. Nilotinib remt deze speciale soort. Hierdoor kunnen kankercellen met het Philadelphia-chromosoom niet verder groeien.

Lees meer over kanker . “

Wat zijn mogelijke bijwerkingen?

Dit medicijn heeft een krachtige werking op de celdeling. Niet alleen van kankercellen, maar ook van gezonde lichaamscellen. Hierdoor kunnen bijwerkingen ontstaan. Bijvoorbeeld op plaatsen waar de cellen zich van nature snel delen. Dit zijn de slijmvliezen van mond, maag en darmen, de huid, de haren en het bloed.

Door de lijst van bijwerkingen kan het lijken dat het middel erger is dan de kwaal. Maar de bijwerkingen komen lang niet bij iedereen in dezelfde mate voor. Bovendien gaan de bijwerkingen na stoppen met de behandeling geleidelijk over.

De belangrijkste bijwerkingen zijn de volgende.

Soms (bij 10 tot 30 op de 100 mensen)

  • Maagdarmklachten, zoals misselijkheid, buikpijn en zelden ook braken, verstopping, diarree, winderigheid, zuurbranden.

    Zelden smaakstoornissen en een verminderde eetlust. Ook zelden bloeding in maag of darmen, met hevige pijn in de buik en opgeven van bloed. Waarschuw in dat geval meteen uw arts.
    Om maagpijn en brandend maagzuur te bestrijden, en de kans op een bloeding te verminderen, kan de arts een maagbeschermend middel voorschrijven.
    Bij misselijkheid schrijft de arts een antibraakmiddel voor. Mogelijk helpt het om vaker te eten, maar dan kleine beetjes. Blijft u misselijk of moet u vaker dan één keer per dag braken? Overleg dan met uw arts.
    Van overgeven en diarree kunt u uitdrogen. Heeft u diarree of moet u overgeven? Zorg dat u extra drinkt als u diarree heeft en moet overgeven. Neem contact op met uw arts als u bovenop uw normale ontlastingpatroon 4 keer of vaker per dag dunne ontlasting heeft, of als u ook 's nachts diarree heeft.
    Neem contact op met uw arts als u behalve uw normale ontlastingpatroon 4 keer of vaker per dag dunne ontlasting heeft of als u ook 's nachts diarree heeft. Soms is het nodig om uitdroging te voorkomen met medicijnen tegen diarree of met een vochtinfuus.

  • Huiduitslag (rode jeukende huid met bultjes).

    Zelden een droge huid, puistjes, ontstoken haarzakjes of galbulten. Raadpleeg uw arts of verpleegkundige bij huidproblemen. Zeer zelden kan huiduitslag een ernstige oorzaak hebben waarbij snelle behandeling nodig is.

  • Teveel cholesterol en vetten in het bloed.

    Als u al een te hoog cholesterol of vetgehalte in uw bloed heeft, zal uw arts u daar extra op controleren.

  • Hoofdpijn, zeer zelden migraine.

  • Spierpijn

  • Vermoeidheid, zelden spierzwakte, slap gevoel en slaperigheid.

  • Haaruitval. Niet alleen van hoofdhaar, maar ook van wenkbrauwen, wimpers, okselhaar en schaamhaar.

    Na stoppen met dit medicijn gaat het haar meestal na ongeveer een maand weer groeien.

Zelden (bij 1 tot 10 op de 100 mensen)

  • Duizeligheid of draaierig gevoel.

  • Zenuwaandoeningen. Dit kunt u merken aan een doof of tintelend gevoel in de huid of aan een branderige pijn in armen of benen.

  • Slapeloosheid, depressie, angst.

    Raadpleeg uw arts als u hier last van heeft.

  • Pijn in gewrichten of botten, zoals nekpijn, rugpijn en pijn in armen en benen, ook spierkrampen komen voor.

  • Veel zweten en opvliegers, vooral 's nachts.

  • Wratten

  • Infecties van de luchtwegen, zoals bronchitis of longontsteking. Waarschuw bij benauwdheid, kortademigheid en hoesten uw arts.

  • Heesheid en tijdelijk stemverlies.

  • Hoge bloeddruk en veranderingen in de hoeveelheid mineralen in uw bloed. Raadpleeg uw arts als u pijn op de borst krijgt of vocht vasthoudt. Waarschuw ook uw arts bij ernstige benauwdheid of pijn op de borst na inspanning.
    Overleg met uw arts als u angina-pectoris (hartkramp) heeft.

    Door deze bijwerkingen en door meer cholesterol in het bloed, heeft u meer kans op hart- of vaatziekten. Uw arts zal uw bloeddruk en bloed regelmatig controleren om tijdig in te kunnen grijpen.

  • Hartritmestoornissen. Raadpleeg uw arts bij hartkloppingen of een snelle hartslag, plotselinge duizelingen of als u even wegraakt.
    Gebruik dit medicijn NIET als u de hartritmestoornis verlengd QT-interval heeft.

  • Bloedarmoede. Neem contact op met uw arts bij extreme vermoeidheid, bleke huid en bleke slijmvliezen.

  • Meer kans op infecties en op bloedingen, zoals bloedneuzen. Neem bij de volgende verschijnselen contact op met uw arts: onverklaarbare koorts of keelpijn, blaasjes in de mond en keel, bloedneuzen, blauwe plekken, zwarte ontlasting en onderhuidse bloedingen.
     

    Deze bijwerkingen ontstaan doordat het lichaam minder witte bloedcellen en minder bloedplaatjes aanmaakt. Door het tekort aan witte bloedcellen bent u ook bevattelijker voor infecties door virussen, bacteriën of schimmels. Neem altijd contact op met uw arts bij infecties als verkoudheid, keelontsteking, griep, steenpuisten en andere huidinfecties.
    Soms is het nodig de dosering te verlagen of de volgende toediening uit te stellen. Soms zijn er medicijnen mogelijk om de aanmaak van bloedcellen te stimuleren. De arts zal uw bloed daarom tijdens de behandeling regelmatig laten controleren. Het bloed herstelt zich weer als u stopt met de behandeling.

  • Hartfalen. U merkt dat aan kortademigheid, benauwdheid of het vasthouden van vocht (dikke enkels en voeten).

    Raadpleeg uw arts als u hier last van krijgt.

  • Vasthouden van vocht, onder andere in de buik en de longen. Hierdoor kunt u last krijgen van benauwdheid, opgezwollen enkels of zwellingen rond de ogen (bijvoorbeeld wallen).

    Ook kan uw gewicht toenemen. Bel uw arts als u merkt dat u binnen enkele dagen meerdere kilo's bent aangekomen of als u het benauwd krijgt door ophoping van vocht in de longen. Zeer zelden zwellingen in het gezicht.

  • Schade aan de nieren en in ernstige gevallen nierfalen. U merkt dit aan vaak kleine beetjes moet plassen, aan bloed in de urine, pijn in uw zij, vermoeidheid en misselijkheid.

  • Verschijnselen van diabetes (suikerziekte) door te veel glucose in het bloed. Raadpleeg uw arts bij veel dorst, veel moeten plassen en vermoeidheid.

  • Oogklachten. Raadpleeg uw arts bij jeuk, droge of rode ogen, wazig zien, bloeddoorlopen ogen, zwellingen aan het oog of gevoeligheid voor licht.

Zeer zelden (bij minder dan 1 op de 100 mensen)

  • Pijn aan de huid.

  • Pijnlijke droge mond, tong of keel, gevoelige tanden.

  • Ontstekingen van de lever of alvleesklier. Raadpleeg uw arts bij een gele kleur van uw huid of oogwit of bij pijn boven in de buik.

    Zeer zelden kan de ontsteking van de lever het gevolg zijn van het opvlammen van een hepatitis-B-virusinfectie. Neem contact op met uw arts als u hepatitis B heeft.

  • Schildklieraandoeningen. Dit kunt u merken kouwelijkheid of het juist snel warm hebben, koude rillingen of hartkloppingen.

    Raadpleeg dan uw arts.

  • Pijnlijke gezwollen borsten, erectiestoornissen.

  • Hand-voet-syndroom. Hierbij raken de handen en voeten rood en gezwollen met pijn, een branderig gevoel, kloven, blaren, eelt of vervellen.

    Waarschuw bij deze verschijnselen uw arts.

  • Gehoorstoornissen en oorsuizen.

  • Als u diabetes mellitus heeft: uw bloedglucosegehalte kan ontregeld worden door dit medicijn.

    Controleer daarom vaker uw bloedglucosegehalte.

Uitleg frequenties

Regelmatig : bij meer dan 30 op de 100 mensen
Soms : bij 10 tot 30 op de 100 mensen
Zelden : bij 1 tot 10 op de 100 mensen
Zeer zelden : bij minder dan 1 op de 100 mensen

Mag ik nilotinib gebruiken met andere medicijnen?

Dit middel heeft wisselwerkingen met andere medicijnen. In de tekst hieronder staan alleen de werkzame stoffen van deze medicijnen, dus niet de merknamen. Of uw medicijn een van die werkzame stoffen bevat, kunt u nagaan in uw bijsluiter onder het kopje 'samenstelling'.

De medicijnen waarmee de belangrijkste wisselwerkingen optreden, zijn de volgende.

  • Vaccins. Overleg met uw arts als u gevaccineerd gaat worden. Bepaalde vaccins mag u niet gebruiken. Nilotinib vermindert de werkzaamheid van deze vaccins en verhoogt de kans op bijwerkingen ervan. Dit betreft onder andere bof-mazelen-rodehondvaccin (BMR), gelekoortsvaccin, rotavirusvaccin en BCG-vaccin.
    Bij andere vaccins moet u soms een extra vaccinatie krijgen of moet uw bloed onderzocht om te kijken of het vaccin goed heeft gewerkt. Dit betreft onder andere influenzavaccin, tetanusvaccin en vaccin tegen baarmoederhalskanker.
  • Acenocoumarol en fenprocoumon, antistollingsmiddelen. Meld het aan de trombosedienst als u nilotinib gaat gebruiken, als de dosering wijzigt of als u gaat stoppen met nilotinib.
  • Bepaalde hiv-middelen. Vraag aan uw apotheker om welke medicijnen dit gaat.
  • Sommige medicijnen tegen kanker. Vraag aan uw apotheker om welke medicijnen dit gaat. De werking of bijwerkingen van deze medicijnen kunnen veranderen. Overleg hierover met uw arts.

De volgende medicijnen verminderen de werking van nilotinib. Overleg hierover met uw arts. Als u stopt met het medicijn duurt het een paar weken totdat dit effect op nilotinib weg is.

  • Hypericum (sint-janskruid), een kruidenmiddel tegen depressieve klachten.
  • De medicijnen tegen tuberculose rifampicine en rifabutine.
  • De medicijnen tegen epilepsie carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne en primidon. Sommige van deze medicijnen worden ook gebruikt bij zenuwpijn en manische depressie.
  • Mitotaan, een medicijn tegen de ziekte van Cushing en bijnierschorskanker.

Sommige medicijnen kunnen de bijwerkingen van nilotinib versterken. Overleg met uw arts als u een van de volgende medicijnen gebruikt.

  • Claritromycine en erytromycine, antibiotica.
  • Itraconazol en voriconazol, medicijnen tegen schimmelinfecties.
  • Ketoconazol, een medicijn tegen de ziekte van Cushing.

Twijfelt u eraan of een van de bovenstaande wisselwerkingen voor u van belang is? Neem dan contact op met uw apotheker of arts.

Het is belangrijk dat uw arts weet welke medicijnen u nog meer gebruikt. Neem daarom uw medicatieoverzicht mee als u naar het ziekenhuis gaat. Dit is een overzicht waarop staat welke medicijnen u gebruikt. Er staat ook andere belangrijke informatie op. Bijvoorbeeld of u allergisch bent voor bepaalde medicijnen. U kunt dit overzicht bij uw eigen apotheek opvragen. Krijgt u in het ziekenhuis nieuwe medicijnen, of verandert er iets aan uw medicijngebruik? Geef dit dan ook weer door aan uw eigen apotheek. Dan blijft uw medicatieoverzicht actueel.

Kan ik met dit medicijn autorijden, alcohol drinken en alles eten of drinken?

autorijden?
Dit medicijn kan vermoeidheid, slaperigheid, duizeligheid en oogklachten veroorzaken. Dit uw rijvaardigheid beïnvloeden. Rijd geen auto als u hier last van heeft.

alcohol drinken?
Alcohol irriteert de slijmvliezen van het maagdarmkanaal. Het vergroot daardoor de kans op bijwerkingen op de maag en darmen. Gebruik daarom liever geen alcohol tijdens de behandeling of zolang u last heeft van uw maag en darmen.

alles eten?
Bij dit medicijn kunt u beter niet te veel grapefruit eten, of grapefruitsap drinken. Dan is de kans op bijwerkingen namelijk groter.

  • Wilt u grapefruitsap drinken? Drink niet meer dan 2 dagen per week een glas grapefruitsap. En wacht elke keer dat u grapefruitsap heeft gedronken ten minste 3 dagen totdat u weer grapefruitsap drinkt.
    Dus: als u op maandag grapefruitsap drinkt, wacht dan tot donderdag met het opnieuw drinken van grapefruitsap.
  • Wilt u grapefruit eten? Eet niet meer dan 2 dagen per week 1 of 2 grapefruits. En wacht na elke keer dat u grapefruit hebt gegeten ten minste 3 dagen totdat u weer grapefruit eet.
    Dus: als u op maandag grapefruit eet, wacht dan tot donderdag met het opnieuw eten van grapefruit.

Bent u gewend om veel of vaak grapefruits te eten, of grapefruitsap te drinken? Bespreek dit dan met uw apotheker of arts. Misschien is er een ander medicijn dat u kunt gebruiken dat wel goed samengaat met grapefruit(sap). Lees hier meer informatie over grapefruit en medicijnen.

Mag ik dit medicijn gebruiken als ik zwanger ben, wil worden of borstvoeding geef?

Zwangerschap
Gebruik dit medicijn NIET gebruiken als u zwanger bent of wilt worden. Er is een grote kans dat het medicijn aangeboren afwijkingen bij het kind veroorzaakt. Tijdens de behandeling en tot en met 2 weken na de laatste capsule mag u niet zwanger worden Bespreek met uw arts een betrouwbare anticonceptiemethode.

Borstvoeding
Geef GEEN borstvoeding als u dit medicijn gebruikt. Het is niet bekend of dit medicijn in de moedermelk terechtkomt. Als het in de moedermelk komt, kan het schadelijk zijn voor de baby.

Hoe gebruik ik dit medicijn?

Kijk voor de juiste dosering op het etiket van de apotheek.

Hoe?

Slik de capsule heel door met een half glas water.

Heeft u moeite met slikken? U mag de capsule openmaken, de inhoud strooien op 1 theelepel appelmoes en dit direct innemen. Gebruik per opengemaakte capsule niet meer dan 1 theelepel appelmoes en gebruik geen ander voedsel. Voedsel beïnvloedt namelijk de opname van dit medicijn.

LET OP! U mag alleen ZELF de capsules openen. Een ander persoon mag dit NIET voor u doen. Kunt u de capsules niet zelf openen? Raadpleeg dan uw arts of apotheker. Samen kunt u bespreken wat de beste manier voor u is om de capsule in te nemen.

Moet u vaak kort na inname overgeven? Overleg dit met uw arts of verpleegkundige.

Wanneer?
Neem dit medicijn in op een lege maag. Dat is minstens 1 uur voor een maaltijd of vanaf 2 uur erna.

Het beste kunt u vaste tijdstippen kiezen om het medicijn in te nemen, dan vergeet u minder snel een dosis.

  • Als u het 1 keer per dag gebruikt: bij voorkeur 's ochtends, bijvoorbeeld een uur voor uw ontbijt.
  • Als u het 2 keer per dag gebruikt: 's ochtends en 's avonds met een tussenpoos van ongeveer 12 uur. Ook dan op een lege maag. Bijvoorbeeld 1 uur voor uw ontbijt en 2 uur na uw avondmaaltijd. Vraag uw apotheker om advies.

Hoelang?
U kunt dit medicijn gebruiken zolang het goed werkt bij uw aandoening.

Terug naar overzicht